Theo's column - Winterstop - RKSV GDA

Theo's column - Winterstop

Theo's column - Winterstop

14 januari 2019 15:45


De bureaucraat in de Zeister bossen die de winterstop in de voetbalsport heeft uitgevonden, behoort tot een uitgestorven levenssoort. Een fossiel, dat ideeën over winters van vroeger projecteert op de hedendaagse winter. Alleen in het vriesvak van je koelkast is het nog koud tegenwoordig. Maar ja, daarin voetbal je niet graag. Te krap bemeten.

Ik verlang terug naar voetbal in de sneeuw. Een laagje van 10 centimeter wit poeder en een ploegende terreinmeester, die met een sneeuwschuiver de kalklijn zichtbaar probeert te maken en daarmee al om 8 uur ’s morgens aan de slag gaat, in zijn eentje, op een uitgestorven voetbalveld. Dát beeld, aangevuld met de magische oranje bal, waarvan de vereniging er uiteraard maar één had. Dus werd de bal over de heining geschoten naar de overburen, dan snelde een toeschouwer naar dat ver gelegen oord, om het speeltuig zo spoedig mogelijk op het speelveld te krijgen.

Het is allemaal wel mooi hoor, die winterkampen van elftallen op de Canarische eilanden, maar de weemoed van het trotseren van de ruwe elementen verdwijnt daarmee. Waarom niet doorknallen bij sneeuw en ijzel? Ik denk het antwoord te hebben gevonden. De wetenschap, of wat daarvoor door moet gaan. Veiligheidsexperts, risico-analisten en kneuters die de bevoegdheid hebben ‘code oranje’ af te geven, zijn toegetreden tot het gilde der beslissers. Dat was er vroeger allemaal niet. Al lag er 10 centimeter water op een voetbalveld, je wilde altijd voetballen.

Je boegbeeld was een willekeurige spits in The Premier League: kerels zonder voortanden, met het uiterlijk van een bankrover en voorzien van een stevig aantal littekens in het gezicht, veroorzaakt door fysiek mannelijk voetbal. Altijd doorhalen, nooit je poot terugtrekken. Een hoofdwond? Gewoon een tulband erom, die doordrenkt met bloed een prachtig rode gloed gaf, terwijl de speler nooit kermde en direct na deze ingewikkelde actie het veld weer betrad en net zo makkelijk 10 kopballen behandelde.

Dat mag allemaal niet meer van die doorgestudeerde veiligheidsrisico experts. Op een modderveld ragden we vroeger gewoon door. Ook als het afgekeurd was, want dan regelden we onderling wel een modderbal. En als de bal dan in de smurrie bleef hangen, dan stortte je je met z’n allen op het leer. Dat was niet onbesuisd, het was normaal. Iedereen deed dat. Op Ockenburgh ook. En je waste je gewoon in de meurende sloot. Warme douches, fysiotherapie en alternatieve behandelingen voor onwillige spieren bestonden nog niet. Een onwillige spier bestond ook niet. Die pijntjes ragde je er zelf wel uit. Wij hadden ook nooit een geblesseerde. Iedereen wilde namelijk spelen, ook al had je twee gebroken benen en een whiplash.

Ik heb nog steeds een zwak voor een voormalige spits uit Wales, die onderin The Premier League zijn ruwe kunsten vertoonde. Hij zag eruit als een overwerkte mijnwerker, had de vorige nacht uitgehaald tot 5 uur in zijn stamkroeg, ging 3 uurtjes slapen en stond, met een sjekkie in zijn mondhoek te wachten in de deuropening om zijn kunsten als slachter op het voetbalveld te etaleren. Schoffelend en hakkend wist hij drie keer te scoren, waarbij de scheidsrechter een respectabele afstand in acht nam vanwege de alcohollucht, die deze spits ook om 3 uur ’s middags nog verspreidde. De spits zag eruit alsof hij met zijn hoofd onder een wals had gelegen. Edoch, dat deerde niet. Wat telde waren zijn drie goals. Het water stond 10 centimeter hoog, de bal plofte overal dood neer en spelers ragden gewoon door. Het publiek vermaakte zich; zong massaal zijn helden toe en had de middag van zijn leven. Onder een gutsende stroom regen verlieten de liefhebbers het kolkende stadion. Het voetballeven was lekker ongecompliceerd. Er waren immers nog geen veiligheidsrisico experts.

Theo van Daalhoff   ---   columnist GDA

Delen

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!