De kop van het artikel in de ADHC van zaterdag 13 maart, waarin “onze” Dennis Lubout met deze typering werd geïnterviewd vanwege zijn 500e wedstrijd, is mijn inspiratiebron voor deze column. GDA is tegenwoordig natuurlijk niet meer die ouderwetse “tuindersvereniging”, waarin ook het Loosduinse “kader”, oorspronkelijk van Rooms-katholieke signatuur, gebroederlijk hun sport bedreven. GDA moet meegaan in de vaart der volkeren en is een begrip in de regio. Daar kunnen we trots op zijn. Op selectieniveau wordt gepresteerd, maar alertheid blijft geboden. Er zijn kapers op de kust….
Het prestatieve karakter van selectievoetbal is onvermijdelijk als je als club wilt meetellen. En nostalgie is voorbehouden aan de hoeders van sentimenten uit de oudheid. Je kunt zo denken, maar een vereniging als GDA kent een rijke historie en is, zoals ze dat bij onze Oosterburen noemen, een “Traditionsverein”. De club is gemaakt door velen die er niet meer zijn en door vele senioren, die een fraai palet aan kleurrijke verhalen hebben neergezet.
Als kleine jongen beschouwde ik het terrein aan de Emmastraat, ons voormalige hoofdcomplex, als heilige grond. Dat was ook niet geheel onterecht, want het terrein was van de kerk en de pastoor, in het begin Van der Horst en later De Roode, was onze zielenherder. Kleding – ook die van de pastoor – werd versteld door de Dames Hartman in de huidige Tuinenbuurt. Pastoor De Roode kwam nog wel eens een neutje drinken bij mijn ouders. Toen kwamen er leuke verhalen. Want die katholieke achtergrond was helemaal niet zo “strak”. De pastoor vond een kelkje Jenever “verkwikkelijk”. En pa deed met weinig tegenzin mee om de fles de volgende dag naar de glasbak te dirigeren.
Je had echte coryfeeën, zoals Cor Thoen. Ome Cor was de plaatselijke postbode. Die vent kon gif spuwen als je als jonge jongen niet luisterde tijdens de training. Een grote vent, mager, keihard voor zichzelf en voor de kids. En voor de jongens die het niet konden betalen, had hij een karrenvracht aan voetbalschoenen opgeslagen in een bijhok van de houten kantine op het hoofdveld. Allemaal gratis. Die jongens kregen antieke voetbalschoenen met stalen neuzen. Iedereen was blij. Niemand was rijk, iedereen moest hard werken om te leven. Thuis lag er “Jabo” op de vloer: een soort vloerbedekking die uit touw bestond en als de sleet eroverheen was gekomen, kwam er een handig ventje bij je langs, die de zaak omkeerde. Dan had je voor 7 jaar opnieuw nieuwe vloerbedekking. Bij GDA was er een soort “eigen economie”. Iedereen hielp elkaar. Een oom van mij was goed in behangen en als tegenprestatie regelde mijn vader zaliger dan weer een huis voor de uitdijende familie van de behanger. Ja, want óók de behanger wilde aan de slag met de vermenigvuldiging van het ledental van de RKSV GDA.
En zo kon het gebeuren, dat met enige regelmaat diverse GDA families aanmeerden bij mijn ouderlijke huis. Dat vond ik geweldig. Wij woonden in Den Haag en Loosduinen was best wel ver. 4 km. En een fiets had je niet. Je had bénen. En die deden het goed.
Loosduinen was nog een dorp. Met een eigen stadhuis. Wel ingepikt door Den Haag, maar je had nog een wit verkeersbord, met de aanduiding “Den Haag 4 km.”.
De leukste bezoekers waren die van de familie Van Gaalen. Over Toon(tje) zaliger heb ik al eerder wat geschreven. Dat hij bij het ondergaan van de zon ongetwijfeld nog in hogere sferen aanschouwt hoe wij voetballend in dit aardse bestaan de naam van GDA hoog houden…. Mijn vader Herman was een man die altijd met de persoonlijke belangen van de leden van GDA bezig was. Hij had een druk leven. Het was al een wonder, dat hij af en toe tijd vond mij met wiskunde of boekhouden te helpen.
De GDA-ers in die tijd waren mensen van zelfredzaamheid. Uit graniet gehouwen. Een voorbeeld? Bijna ieder jaar moest het oude complex van GDA, waar weinig duurzaam materiaal werd gebruikt, flink aangepakt worden. Mensen hadden in die tijd hooguit één week vakantie, misschien twee. De eerste week werd besteed aan werkzaamheden op GDA. Ik herinner me mijnheer Van der Coevering. 82 jaar. De hele dag aan het schilderen… Op die hoge ladder. Dát was een kerel uit graniet gehouwen. Zijn zoon Ton is één jaar mijn elftalleider geweest. Ik vond zijn vader helemaal geweldig.
Vele jaren later vraag ik mij af of dat doorzettingsvermogen van de rijperen in jaren te maken kan hebben met het tuinderswerk. Fysieke arbeid en het in stand houden van je lichamelijke kracht, ook op hogere leeftijd, moet ongetwijfeld met elkaar samenhangen. Tegenwoordig werkt een groot deel van de mensen in verwarmde gebouwen en weet zijn eigen lichamelijke huishouding niet meer te reguleren. We verplaatsen ons met de auto…. De elementen….
Nostalgie. Ik hang er niet aan, maar kijk er vanuit de zijkant naar. En ik zie rijpe senioren aan het werk, fysiek sterk. En niet zeuren. En nog steeds klinkt die onverzettelijkheid op GDA door van mensen die voor de club willen gaan. Voor mensen die nóóit ouder worden. Of, anders gezegd, van mensen die nóóit ouder mogen worden dat ze zó oud worden, dat het einde van hun enorme vrijwilligersenergie nadert. Want dan valt de echte kracht van GDA weg. Ondanks het feit, dat ik door de aanwas van het huidige kader wel hoop blijf houden, besef ik me, dat die boegbeelden voor GDA nodig blijven…..
Tot slot:
GDA is geen friettent, waar je wat bestelt van je gading, het lege bakje ergens neergooit en het vrije spel van de wind de ruimte geeft aan het vervolg…..
Ik hoop, dat diegenen die dit lezen en zich wat aantrekken van hun eigen rol op GDA, goed beseffen, dat we hier met onbetaald sportplezier bezig zijn en dat JIJ ook GDA vormgeeft…..
Uit graniet gehouwen! Dát is deze club; dat is GDA.
Theo van Daalhoff, columnist GDA.